.jpg)
omgeving
Al in de Romeinse tijd was er bewoning op de stroomrug gronden, die over Bruchem en Kerkwijk naar Delwijnen lopen. Hier zijn ook sporen van Romeinse bewoning gevonden.
Kerkwijk moet vanouds het kerkelijke centrum zijn geweest. Het is vermoedelijk met Bruchem en Boven-Delwijnen het mooiste voorbeeld van een langgerekte Frankische boerennederzetting. De woongedeelten waren naar het bouwland (de Eng) gekeerd, waar de Achterstraat liep. Vlak achter het huis is de grond uitgegraven om de erven mee op te hogen tegen de overstromingen. Bruchem, Delwijnen en Kerkwijk waren oudtijds dagelijkse (lage) heerlijkheden, terwijl Nederhemert een hoge heerlijkheid was. Dat wil zeggen dat Nederhemert een eigen rechtbank bezat, waardoor de heer of namens hem recht werd gesproken, ook in criminele zaken. Voorts had Nederhemert een eigen dijkstoel.
De bewoners van deze dorpen hebben eeuwenlang gestreden tegen het water. Duidelijke sporen vindt men thans nog terug. Na de bedijking zijn de boerenerven verder opgehoogd. Dit was noodzakelijk geworden omdat, wanneer de dijk rond de Bommelerwaard bezweek, de waterstand daar veel hoger opliep, dan voor de bedijking. Men zocht dan hoger gelegen plaatsen op, zoals bijvoorbeeld de kerk. Het gevaar van schade bij overstroming woog toen zwaarder dan de ligging dichter bij de landerijen. Het grasland werd toen niet voor melkveehouderij gebruikt, maar voor jongvee, paarden, hooiwinning en ook voor de handel. In Nederhemert stonden veel boerderijen dicht bij de dijk en ook veel huisjes tegen de buitenteen van de dijk in het westen, waar geen risico bij ijsgang optreedt.
De wateroverlast en de oorlogen zijn in de gehele geschiedenis van de Bommelerwaard de grootste factoren geweest, die remmend hebben gewerkt op de welvaart van deze streek. De vele dijkdoorbraken troffen vooral de bewoners van het laaggelegen middengebied van de waard. Deze bevolking bestond uit een klein aantal grote boeren, wat handwerklieden en kleine middenstanders, die maar net aan het bestaansminimum kwamen, en verder uit land- en fabrieksarbeiders en wat keuterboertjes. De arbeiders vonden ‘s zomers werk bij de boeren of op de steenfabrieken.
Bijna allemaal hadden ze een stukje grond. De lonen waren laag en in de zomer en het najaar moest de kost ook worden verdiend voor de wintermaanden, want dan was er geen werk. Vandaar dat groepen arbeiders uit deze streek onder andere naar de Zuid-Hollandse eilanden trokken om daar mee te helpen bij de oogst. Het streven van deze arbeiders was erop gericht zelf boer te worden. Vandaar de vele keuterboertjes in deze dorpen.
Een symptoom van de geringe mate van welvaart waarin onze grootouders moesten leven was onder ander het grote aantal geiten, dat hier werd gehouden (de koe van de eenvoudige man). Voor de gezinnen van de arbeiders van de keuterboer leverde de geit melk voor het eigen gezin en mest voor het land. De kosten van onderhoud waren gering: wat gras en hooi van de wegbermen en afval van het huishouden.
Een ander verschijnsel was het grote aantal kleine huisjes, die nu wel schilderachtig aandoen, maar die vaak werden bewoond door grote gezinnen en weinig of geen leefruimte boden. Bij de waterramp van 1861 werden vele van deze huisjes weggespoeld, want ze waren vaak maar van leem, vlechtwerk en ongebakken stenen opgetrokken. Na 1861 zijn ze vaak in rijen gebouwd langs de bermen van de kaden en de polderwegen, op poldergrond!

Laatst aangepast (vrijdag, 03 september 2010 20:08)


